Actie Abonnement Aardappelwereld magazine
Aardappelteelt onder glas is geen vanzelfsprekendheid. Wil je de oogst van kasplantjes, in dit geval miniknollen, zo afleveren dat ze ook buiten gezond doorgroeien, dan vereist dat letterlijk en figuurlijk een grondige aanpak, heeft productspecialist Angela Olsthoorn bij Plantenkwekerij Beekenkamp Plants BV uit ‘s-Gravenzande ondervonden. Wat je daarvoor nodig hebt, is een uitgekiende mineralenbalans en een natuurlijke voedingsrijke grond met optimale structuur. De weg ernaartoe was lang, maar het resultaat mag er zijn.

Angela Olsthoorn weet nog als de dag van gisteren dat ze voor het eerst met de teelt van miniknollen in de kas aan de slag ging, nu alweer minstens dertig jaar geleden. Na een eerste jaar van pionieren was voor haar duidelijk dat aardappelplanten goed onder glas kunnen groeien, maar niet op de gebruikelijke wijze zoals bij andere groentegewassen in de glastuinbouw. Je kon volgens haar al gelijk merken dat de aardappelplantjes bij aanvang en verdere ontwikkelingen de nodige input misten in vergelijking met een reguliere buitenteelt. Bovendien kregen ze vrij snel te maken met ziekten die in het vochtige kasklimaat snel om de hoek komen kijken, zoals Botrytis. “En heb je deze aantasting eenmaal op de stengel of stoloon, dan mis je de stoloonvorming en krijg je dus ook geen knollen.” Probleem daarbij was, ook toen al, dat de glastuinbouw bijna geen curatieve middelen tegen schimmels als deze meer mocht gebruiken. Inzet van preventieve systemische middelen was voor miniknollenteelt eveneens not done. Doorgaan zonder een andere aanpak zou een doodlopende weg zijn geworden, dus was een andere route nodig, beschrijft ze.

“De eerste weg waar we voor kozen was verbetering van de plantweerbaarheid. Daar hebben we als glastuinbouw al vele jaren ervaring mee, maar toen nog niet in aardappelen. Een van de producten die we daarvoor wilden gaan gebruiken, was destijds verkrijgbaar, maar daar hing wel een beetje de zwijm van kwakzalverij omheen, wat vooral met de tussenleverancier te maken had. Deze verkocht de middelen wel, maar kon absoluut de werking van de producten niet uitleggen.” Daarbij was het volgens Olsthoorn erg duur, inclusief de bijbehorende kosten voor advisering. Bovendien resulteerde de toepassing niet in de beoogde versterking van de aardappelweefselkweekplantjes. “Ze gingen vooral heel erg snel groeien, maar dat was niet het effect waarop we zaten te wachten. Uiteindelijk kwam ik in contact met de biologische specialist die het product ontwikkeld had en veel kennis had van biologische producten en biologische gewasbescherming. Uit zijn beschrijving en verhalen bleek al gauw dat dit niet iets was wat we nodig hadden. Wel was gelijk mijn aandacht op hem gericht, want hij heeft onder meer diverse boeken gepubliceerd over land- en tuinbouw zonder chemie. En daarin lag juist mijn uitdaging voor de miniknollenteelt. Ik had namelijk al gelezen en vooral ervaren dat chemie een erg ongunstige invloed heeft op het wortelstelsel en de groei van aardappelplanten.” Het wortelstelsel is volgens Olsthoorn sowieso al het zwakste deel van de aardappelplant. Bij groei in hydroponics helemaal, maar die is zeker niet veel beter in reguliere kaspotgrond, meent ze. “In die eerste jaren van de teelt hanteerde iedereen ook nog eens de strategie, zorg dat je de miniknollen in een zo kort mogelijke periode kweekt, tegen een zo laag mogelijke prijs.” Negatieve gevolgen daarvan konden natuurlijk niet uitblijven en die kwamen vervolgens al snel tot uiting in de nateelt. De uitgepote knolletjes bleken voor de buitenteelt simpelweg te zwak. “Dat komt vooral omdat we als glastuinbouwers eigenlijk nog helemaal niks wisten over de benodigde vitaliteit van de knollen die we afleverden. Waren ze überhaupt wel groot en rijp genoeg voor de buitenteelt en hoe zat het met de kiemkracht?” Tijdens de voortdurende zoektocht naar handvatten voor een meer weerbare teelt van de miniknollen kwam Olsthoorn ruim tien jaar geleden Marco van Gurp van het bedrijf, toen nog onder de naam, N-xt Fertilizers, tegen. Inmiddels is het onderdeel van de onderneming Healthy Soil bv uit Emmen. Een bedrijf met, volgens haar, de nodige kennis van bodem en planten, en bovendien gespecialiseerd in producten voor de optimalisatie hiervan.

Een van de eerste lessen die ze al snel van Van Gurp leerde, is dat een vitale teelt van cultuurgewassen als aardappelen begint bij het in evenwicht brengen van het medium waarin wortels en stolonen zich ontwikkelen: de grond. Dit met betrekking tot factoren als de mineralenverhouding, bodemleven, organischestofgehalte, zuurstof en water. “Wij waren als glastuinbouwers vooral gewend om alleen maar te denken aan het bijregelen van pH- en EC-waarden in de voeding.” Om vervolgens met de nieuwe kennis aan de slag te gaan, is ervoor gekozen om stap voor stap aanpassingen door te voeren. Wel met het doel om uiteindelijk te komen tot de ideale totaalaanpak van de miniknollenteelt, beschrijft Olsthoorn. “Bemesting, mineralenbalans, water- en grondkwaliteit moeten allemaal in orde zijn om te komen tot planten met goede wortel- en stoloonontwikkeling, en vorming van knollen met grote weerbaarheid.” In die stapsgewijze verandering is Beekenkamp op advies van Van Gurp begonnen met maatregelen als een fosfaatgift, via de potgrond, bij aanvang van de teelt. Dit voor een betere start van de wortelontwikkeling. Ook is gelijk gekozen voor toepassing van bladbemestingen, met onder meer amide-stikstof en sporenelementen. Dat gaf de mogelijkheid voor een betere sturing van de groei gedurende de diverse ontwikkelingsfasen van de miniknolplanten en vorming van een weerbaar loof- en wortelapparaat.
Deze twee maatregelen waren gemakkelijk te integreren met de bestaande werkwijze bij teelt onder glas, namelijk meststoftoediening via de watergift. “Wat we al gelijk als resultaat zagen van deze aanpak, is de aanleg van meer uniforme knollen en de groei van een compacter gewas. Plant en knol waren beter in balans. Een nadeel van de gebruikelijke methode is namelijk dat je continu voeding, mineralen, eigenlijk zouten, aan water toevoegt. Daardoor blijft de grond altijd natter of droger. Je geeft genoeg voeding, maar te veel of te weinig water, waardoor sommige elementen in de grond uit balans kunnen raken en niet goed kunnen worden opgenomen. Wanneer je echter een deel van de voeding via het blad toedient, gaat dit rechtstreeks de plant in, en dat houdt de bodem droger. Vervolgens hoef je daarbij alleen de hoeveelheid water aan de planten te geven die ze ook echt nodig hebben”, schetst ze. Een tweede effect van traditioneel voeding via water toedienen is dat het de plantgroei vanaf het begin opjaagt. “Dat wil je niet bij een aardappelgewas. Daarbij wil je juist de grond in balans houden, zeker als het gaat om een mineraal als stikstof. Pas later ga je gedoseerd, per groeifase, in de behoefte van de plant voorzien.”

Een belangrijk element voor de plantgroei van aardappelen is calcium. “Omdat we langzaamaan wilden opschalen in de nieuwe aanpak, zijn we ook dit mineraal gaan integreren in onze strategie met bespuitingen in de beginfase van de teelt. Op dat moment zijn we ook gaan nadenken over grondverbetering. Wat we al hadden geconstateerd, is dat de betere potgronden wel redelijk vol mineralen zaten, maar dat deze nooit in een goed evenwicht zitten en de aardappelplantjes die dus niet goed opnamen. Dat bleek uit de data die we verzameld hadden van blad- en knolmonsters. Eerst zijn we daarom gaan kijken waar dat aan ligt”, legt de miniknollenspecialiste uit. Adviseur Van Gurp vindt de verklaring in de samenstelling van de kaspotgronden. Het gaat volgens hem meestal om een substraat, bestaande uit een mix van perliet, veensoorten, soms nog wat extra’s. “Doel is vooral het verkrijgen van een medium met watervasthoudend vermogen. Hierbij kijken we dus alleen fysisch naar de potgrond. En dan komt daar meestal nog de kalksoort Dolokal bij om in de grond een pH-waarde van 6 te realiseren. Maar met dit alles heb je niet de ideale groeiomstandigheden voor de ontwikkeling van een aardappelplant en de vorming van robuuste miniknollen. Wat je daarvoor nodig hebt, is een goede structuur die wordt bepaald door de juiste verhouding van mineralen, waardoor het evenwicht van water en lucht in de bodem constanter blijft”, weet Olsthoorn. Deze ideale situatie krijg je volgens haar niet door enkel potgrondmengsels op de genoemde standaardwijze te maken, maar door te zorgen voor de juiste mineralenverhouding hierin. “Door dit toe te passen in onze miniknollenteelt bleek al snel dat de stikstofbehoefte veel lager is dan we voorheen in de praktijk gaven. En dat de planten juist andere elementen meer nodig hadden, elementen die eerder veel minder belangrijk waren. Daarnaast is er bij de samenstelling van de Healthy Soil-aardappelpotgrond, geleverd door een gespecialiseerd bedrijf, aandacht voor biologie. De Healthy Soil-aanpak leidt blijkbaar tot een gezonder microbioom met een gezondere grond en een weerbaar gewas tot gevolg. Daaronder vallen onder andere de juiste schimmels en bacteriën. Zo werkt een gezonde bodem buiten en dus ook een gezonde potgrond binnen.”

Olsthoorn legt uit dat ze zoveel mogelijk de buitenomstandigheden in de kas proberen toe te passen, zodat de knollen minder last hebben van doorwas, schimmels en andere problemen, en op het veld een goede zetting en groei realiseren. “En dat is wat we hier in onze kassen in de laatste jaren zeker terugzien en gerealiseerd hebben. Plus het doel dat ik helemaal aan het begin noemde, weerbaar telen zonder chemie. Schimmels als Botrytis zijn nog steeds aanwezig, alleen ze tasten de plant niet meer aan, want die zijn veel sterker. Dat zagen we na invoering van de nieuwe teeltmethode eveneens terug in het totale groeibeeld in de kas. Voorheen hadden we nogal eens plekken erin met geel blad of met verschillen in loofontwikkeling. Kijk nu maar”, wijst de productspecialist vanuit het gangpad naar de lange plantrijen in de kas. “Daaronder is het al niet anders.” Als bewijs haalt ze op verschillende plekken plantjes met miniknollen uit de grond. “Het wortelstelsel is over het algemeen het zwakste punt van de aardappelplant. Wat je hier ziet is een enorm verschil met wat we hadden. Er zijn nu zoveel meer zij- en haarwortels. En overal is de zetting vrijwel gelijk, evenals de sortering. Door de verbeterde bodemstructuur is het wortelstelsel sterker en vormt meer wortelharen. De wortelharen nemen de elementen uit de grond op. Dat vind je terug in de knollen. Dat hebben we overigens gemeten. We zien in vergelijking met oude cijfers dat de knollen meer enzymen bevatten door een hoger eiwitgehalte in de plant, wat ook resulteert in een hoger eiwitgehalte in de knol. Zetmeel en suiker blijven gelijk. We zien steeds meer effecten van deze manier van telen. Belagers als luis, trips en witte vlieg vermeerderen zich minder snel, waardoor we bijna geheel biologisch kunnen telen zonder chemie toe te passen. Naast al deze voordelen hebben wij geen last meer van schimmelaantasting op de knollen. Daarnaast krijgen we zeer positieve reacties van onze klanten. Dat zijn inmiddels bijna alle pootgoedhandelshuizen en in totaal over de driehonderd verschillende rassen. Met een evenwichtige grond aan de basis en een heel andere bemestingsaanpak hebben we dat met veel doorzettingsvermogen en vertrouwen kunnen bereiken. Daardoor komt 80 procent van de mineralenbehoefte uit en via de grond, en dienen we nog maar 20 procent hoofdzakelijk via bladbemesting toe. Voorheen was dit precies andersom.” ●

Pootgoedteler Matthijs Gebbink uit Espel is al tientallen jaren vertrouwd met miniknollenteelt. Sinds de start hiermee heeft hij veel zien veranderen in de kwaliteit van het uitgangsmateriaal. “In de beginjaren waren de aangeleverde knolletjes een stuk zwakker dan nu. We zagen vooral veel verschillen in vitaliteit tussen de seizoenen. Het ene jaar waren ze goed, het andere vielen ze tegen.” Dat is een heel verschil met wat hij de laatste jaren voorbij ziet komen, vertelt Gebbink enthousiast. “De sortering is nu veel grover en egaler. En dat zien we ook terug in het teeltresultaat. Er vallen veel minder planten uit en de opbrengst is een stuk hoger. Bij ons draait alles om de generaties Pb 1, 2 en 3. Wanneer je per plant één knol extra kunt oogsten, dan is dat voor ons al een behoorlijke winst. Dus ja, we zien de teeltverbetering van de miniknollen ook terug in het rendement van de stammenteelt.” Het gros van de meer dan 100.000 knollen die Gebbink per jaar nodig heeft betrekt hij van Agrico, een kleiner deel komt van Solana en Europlant. Hij weet, via Marco van Gurp, dat kwaliteitsverbetering onder meer te danken is aan de grondverbetering in de kassenteelt. Dat de bodem een belangrijke rol speelt in de teelt van het aardappelgewas, of het nu binnen is of buiten, ervaart de ondernemer ook op zijn eigen bedrijf. Sinds enkele jaren werkt hij met het Bodem Activa Programma van Healthy Soil. Daarvan ziet hij in de teelt van, in totaal 57 hectare, pootgoed de resultaten terug. “Ik zie het bodemleven toenemen en de structuur stap voor stap verbeteren.”
Evenementen
©2015 - 2025 Aardappelwereld | Ontwerp en realisatie COMMPRO