Aardappelwereld magazine
De roep om nieuwe oplossingen voor de beheersing van Phytophthora neemt alleen maar toe, zeker nu het beschikbare middelenpakket verder onder druk lijkt te komen te staan. Dat is ook te merken aan de overvolle agenda’s van onderzoekers in Wageningen. Geert Kessel, specialist op het gebied van de aardappelziekte bij WUR, maakt daarin echter graag ruimte vrij om de eerste bevindingen van ‘zijn’ PPS te delen.

Zoals de onderzoeker uit Wageningen al in eerdere bijdragen benadrukte, valt of staat de aanpak van de belangrijkste aardappelziekte met kennis en communicatie daarover. Dat gebeurt momenteel onder meer in een publiek-private samenwerking, afgekort tot PPS. Daarin werken bedrijfsleven en wetenschappers samen om onderzoeksprojecten mogelijk te maken die van belang zijn voor bepaalde sectoren. Voor de toekomstige aanpak van de aardappelziekte is de PPS ‘Resistentiemanagement voor beheersing van Phytophthora infestans’ in het leven geroepen, die vorig jaar van start is gegaan. Vanuit het bedrijfsleven en belangenbehartigers zijn hier de BO Akkerbouw, Stichting Milieukeur (SMK), Bionext, Bioplant, Bioscout en Eising Advies bij betrokken. De hierbij aangesloten onderzoeksinstellingen zijn Wageningen University & Research en SPNA. Het onderzoek naar resistentiemanagement is grofweg opgedeeld in een deel dat gericht is op rassenresistentie en een deel dat zich focust op het ontwikkelen en valideren van extra gereedschap, en aanpassing en validatie van de beheersingsstrategie. “Collega-onderzoeker Jack Vossen is verantwoordelijk voor het eerstgenoemde en ik houd me bezig met het tweede stuk”, licht Kessel toe.
“Het allerbelangrijkste doel is dat we ervoor zorgen dat we het bestaande gereedschap voor phytophthorabestrijding niet klakkeloos weggooien.” Eerste stappen daarin zijn gelukkig al gemaakt. Het is nog amper een paar jaar geleden dat aardappeltelers in Nederland hun phytophthoramiddelen overwegend aan de hand van een blokkenschema toepasten. Daarbij gebruikten ze middelen met dezelfde werkzame stoffen meerdere keren achter elkaar. Die werkwijze was vooral gericht op de verschillende stadia van het gewas en de beste werking van de middelen daarin. Alleen dat bood Phytophthora de kans om relatief eenvoudig resistentie te ontwikkelen. Het resultaat, na het natte seizoen 2023, waren veelvoorkomende resistenties tegen CAA’s, destijds de werkzame stoffen mandipropamid, benthiavalicarb en dimethomorph en OSBPi’s waar de werkzame stof oxathiopiproline onder valt. In 2024 is daarom een nieuwe strategie gelanceerd. Die is vooral gericht op het combineren en telkens afwisselen van werkzame stoffen in de bespuitingen,” leert Kessel.

En die vernieuwde aanpak lijkt te werken. Kessel verwijst daarvoor naar de EuroBlight-analyses van 2025 waaruit, net als in 2024, blijkt dat de phytophthorastammen met daarin de CAA- en OSBPi-resistenties significant op hun retour zijn. Sommige blijven zich vooralsnog handhaven, zoals EU_36, een variant die af en toe een fungicideresistentie in zich heeft of een waardplantresistentie doorbreekt. Echter, er zijn ook plots opkomende populaties gespot die weer snel verdwijnen, zo signaleert onder meer EuroBlight. Of dit ook aan de nieuwe strategie van toediening is toe te schrijven is nog niet nader onderzocht. Wellicht dat hier in de komende jaren meer duidelijkheid over komt. Kessel laat verder weten dat onderzoek, zoals vorig jaar in Nederland is opgestart, dit jaar naar andere landen in Europa wordt uitgebreid. Dat Europese project heet IPMOrama en daarin werkt Wageningen onder andere samen met Deense, Duitse, Franse, Ierse en Schotse onderzoeksinstellingen en bedrijven. Het gaat dan onder meer om aanscherping van de phytophthorastrategie met rassen met verbeterde resistentie in combinatie met een beetje spuiten en de aanleg van demovelden met een grootte van 4 tot 5 hectare in de laatste 2 jaar, 2027 en/of 2028, aldus de onderzoeker.
In Nederland is vorig jaar voor het eerst gericht gewerkt aan behoud van gereedschap, actieve stoffen en waardplantresistentie. Vroeger was het normaal dat middelen die niet meer werkten vervangen werden door werkende middelen. Die tijd is voorbij. We kunnen niet meer voor de volle 100 procent vertrouwen op middelen. Actieve stoffen verdwijnen in hoog tempo, door toedoen van Phytophthora of door nieuwe regelgeving. Onderzoekers in het team van Kessel kijken daarbij naar de inzet van middelen, zowel in gangbare als in resistente rassen. Na slechts een jaar van beproeving zijn nog geen algemene conclusies te trekken, maar de onderzoeker kan wel alvast enkele ervaringen delen. Zowel in de gangbaar als biologisch geteelde proeven werken de onderzoekers met beslissingsondersteunende systemen. Gedurende het teeltseizoen 2025 was het relatief droog en de phytophthoradruk laag. “Toch maakten de BOS-systemen, die weersomstandigheden koppelen aan infectiekans, in de droge perioden diverse keren melding van kans op dauwnat in het loof. Als er regen op komst is, is het duidelijk: dan ga je preventief spuiten. Maar is dat ook nodig na een dauwnatte nacht, waarbij je in zo’n lange droge periode bijna zeker weet dat Phytophthora niet aanwezig is? In onze proeven hebben we uiteindelijk het zekere voor het onzekere genomen, maar de noodzaak hiervoor zijn we momenteel aan het onderzoeken, onder andere door het gebruik van sporenvallen. Als er geen sporen zijn kan het gewas eenvoudigweg niet ziek worden”, doceert Kessel. Het opzoeken van grenzen is volgens de onderzoeker belangrijk, want dat bepaalt ook het aantal bespuitingen. “Kun je met minder toe, dan is dat altijd beter, je houdt meer opties over voor als het later in het seizoen nodig blijkt.”

Een belangrijk onderdeel uit de PPS van Kessel zijn de proeven met sporenvangers. Met oudere typen sporenvangers kunnen we alleen handmatig sporen tellen, een enorme klus waarvan de resultaten per definitie te laat beschikbaar komen. Nieuwe sporenvangers, waarmee de onderzoekers nu werken, kunnen automatisch eveneens sporen determineren, oftewel exact aangeven welke soorten schimmelpathogenen in de regio of zelfs op veldniveau rondwaren, Phytophthora, Alternaria, Cercospora, etc. En ze kunnen ook veel sneller meten, waardoor de informatie de volgende ochtend al beschikbaar is om, net op tijd, maatregelen te kunnen nemen. Met een sporenvanger proberen de onderzoekers in eerste instantie een goede inschatting te maken van de actuele sporendruk, zodat bijvoorbeeld het moment van een eerste bespuiting beter kan worden onderbouwd. Naast de aantallen gevangen sporen, zijn volgens Kessel ook de eigenschappen van deze sporen belangrijk. Daarbij draait het om het karakteriseren van sporen, het verzamelen van informatie op DNA-niveau. In de toekomst gaat dit informatie geven over de eigenschappen van de gevangen phythophthorasporen. “Op basis van die informatie kun je bijvoorbeeld je middelenkeuze aanpassen. Wanneer veel stammen rondzweven met een resistentie tegen een bepaalde actieve stof, dan kan je besluiten die niet te gebruiken. In de PhytoAlert-app kunnen telers nu aantastingen melden en per postcodegebied zien hoe hoog de ziektedruk is en welke resistentiegroepen (rassen) meer en minder risico lopen. Om niet helemaal afhankelijk te zijn van meldingen uit de praktijk zijn er dit jaar zes monitoringsvelden aangelegd met diverse resistente rassen uit de 8 Plantum resistentiegroepen plus een vatbaar ras. Aanvullende informatie uit de sporenvangers zoals wederom ziektedruk, en hopelijk straks ook resistenties tegen actieve stoffen, geven dan de noodzaak aan alert te zijn en zo nodig maatregelen te nemen. Ook denken we dat de informatie bruikbaar kan zijn voor biologische telers.”
Nu was vorig jaar een droog jaar met weinig sporen. “Het was de bedoeling om met de gevangen sporen in de nieuwe sporenvanger een algoritme op te bouwen om Phytophthora te herkennen, maar er waren veel te weinig sporen aanwezig om dat te kunnen realiseren. We wilden echter ook niet wachten tot dit seizoen, want wie zegt dat we nu wel voldoende sporen kunnen vangen? Bovendien hebben we nog maar twee jaar van onderzoek te gaan, dus dan is het wel zo handig om nu alvast een algoritme paraat te hebben. Daarom hebben we afgelopen zomer zelf maar onze eigen kweek aan phytophthorasporen in de sporenvanger gespoten, om zo versneld een algoritme voor snelle herkenning op te bouwen. We verwachten daarmee voor de nog twee resterende jaren een bruikbare praktijkrijpe tool voor het monitoren van Phytophthora beschikbaar te hebben”, spreekt Kessel zijn verwachting uit. ●
Evenementen
©2015 - 2026 Aardappelwereld | Ontwerp en realisatie COMMPRO