Actie Abonnement Aardappelwereld magazine
De aardappelteelt is op een punt beland, waarop de dingen nóg beter doen niet meer genoeg is. “Een nieuwe aanpak is nodig en daarvoor moeten we onszelf betere vragen stellen”, zo verwoordde Richard Harrison, managing director van de Plant Sciences Group van WUR de uitdagingen in de sector. De sprekers op de eerste internationale conferentie in de historie van PotatoEurope onderstreepten het belang van samenwerken.
Onder het motto ‘Future of Potato Farming’ werd op PotatoEurope voor de eerste keer een internationale conferentie gehouden op het beursterrein. Verschillende specialisten gaven er hun kijk op de ontwikkelingen in de sector. Een blik in de toekomst van de aardappelteelt, is een onderwerp dat uitstekend past bij de gastlocatie, want PotatoEurope streek dit jaar neer op de proefboerderij van Wageningen UR in Lelystad. Managing director van de Plant Sciences Group Richard Harrison zei blij te zijn met de komst van de beurs en onderstreepte het belang van kruisbestuiving tussen onderzoek en bedrijfsleven: “Innovatie begint niet in het lab, maar in de praktijk.” Volgens Harrison moet de aardappelsector in de spiegel durven kijken en zichzelf ook ‘ongemakkelijke vragen’ durven stellen. “Verandering is nodig, maar wel altijd onderbouwd met de feiten.” Hij noemt de uitdagingen waar de landbouw voor staat groot. “Klimaatverandering, bodemkwaliteit, scherpere regelgeving, biodiversiteitsdoelen, een andere manier van gewasbescherming; er is geen enkele partij die in z’n eentje een oplossing heeft voor deze complexe uitdagingen. Dat kan alleen door samenwerken en door het delen van kennis.” In een nieuw strategisch plan voor de komende vier jaren, wijst de Wageningen Universiteit expliciet op het belang van haar regionale satellietbedrijven, zoals het praktijkonderzoeksstation in Lelystad, dat recentelijk nog grondig werd gerenoveerd. “Wij investeren bewust in het praktijkonderzoek.”

Gastspreker professor Guido van den Ackerveken, van de Universiteit Utrecht, haakte in op het rijtje uitdagingen dat Harrison opsomde. Hij is microbioloog en tevens directeur van CropXR, een groot samenwerkingsverband tussen onder meer Wageningen Universiteit, zijn eigen Universiteit en commerciële partijen, waarin de nadruk ligt op de veredeling van robuuste gewassen. “Als we niks doen, dan gaat zowel de opbrengst als de kwaliteit van gewassen omlaag. Het wordt immers steeds moeilijker om bij te sturen. Een toekomstbestendige teelt vraagt om sterkere rassen, maar ook om een bredere blik op een robuust bouwplan.” Niet langer ligt bij de veredeling de focus op de zoektocht naar het beste ras, maar vooral op een stabiel ras. “Dat is misschien niet top, maar presteert onder alle omstandigheden wel stabiel.” In het programma van CropXR is de zoektocht naar die robuustheid onderverdeeld in drie aandachtgebieden; temperatuur, oftewel hittetolerantie, verminderde droogtegevoeligheid en ziekten & plagen. “En daar hoort ook de interactie tussen die criteria bij. We willen de complexiteit begrijpen.” Dankzij een enorme sprong in de technische mogelijkheden, ruwweg tussen de jaren 2005 en 2020, kunnen veredelaars met de groeiende kennis van het genoom, en het gebruik van moleculaire merkers, steeds sneller vooruitgang boeken. “Er is heel veel info. Nu is het de kunst om die goed te benutten.”
Tussen nu en 2030 verwacht Van den Ackerveken een nieuwe sprong in de technische mogelijkheden, waarbij kunstmatige intelligentie (AI) veredelaars gaat helpen bij het gebruiken van data en het blootleggen van complexe verbanden.
Hier komt het hightech plantenlaboratorium NPEC om de hoek kijken, de ultramoderne faciliteit voor plantenfenotypering die op het terrein van de Universiteit Utrecht is gebouwd, waar onderzoekers en bedrijven de genetica achter de interacties tussen de plant en zijn omgeving kunnen ontrafelen. Hier kunnen de groeiomstandigheden van de plant volledig worden beheerst. Met behulp van modellen en machine learning worden patronen zichtbaar gemaakt, aan de hand waarvan veredelaars beter kunnen voorspellen welke genen een rol spelen. CropXR is een van de grotere projecten die gebruikmaakt van de faciliteiten van NPEC. “In de eerste vijf jaar van het programma, leggen we de basis voor het werken aan robuuste gewassen. Daar zijn we nu mee bezig. We doen dat aan de hand van het wetenschappelijke standaardplantje Zandraket. In de tweede fase gaan we aan specifieke gewassen werken. Alleen voor aardappelen zijn we daar nu al mee begonnen. We kijken daarbij onder andere naar de wortelarchitectuur; welke eigenschappen helpen de plant bijvoorbeeld bij droogte? En zitten er misschien ook nadelen aan een bepaald type wortelstelsel? We doen dat zowel in het lab als op proefvelden, om te kijken of de theorie klopt met het gedrag in het veld.”

Een ander onderwerp waar Utrecht veel werk aan verricht, is het ontrafelen van het microbioom. Eerder dit jaar beschreef Aardappelwereld magazine de uitkomsten van een omvangrijk onderzoek naar het microbioom van de aardappel. Daarin toonden Utrechtse onderzoekers aan dat de micro-organismen in en om de pootaardappel van invloed zijn op de groei van het gewas dat hieruit opgroeit. “Maar liefst 20 procent van de voedingstoffen die een plant maakt, gebruikt deze niet rechtstreeks voor de groei, maar is voeding voor het bodemleven. In ruil daarvoor helpen micro-organismen de plant bij het opnemen van voedingsstoffen en het bieden van weerstand tegen ziekten en plagen. Wij weten nu dat de samenstelling van het microleven een voorspellende waarde heeft voor hoe een aardappel opgroeit. Daar kun je je voordeel mee doen. We proberen uit te zoeken welke microben belangrijk zijn voor een gezond groeiend gewas. Zowel via veredeling (er zijn rasverschillen als het gaat om de relatie met micro-organismen, red.), de herkomst van het pootgoed, als via bodembeheer kun je daar dan op inspelen.” Ook het nut van de inzet van bepaalde micro-organismen in de vorm van plantversterkers, kan daarmee beter op waarde worden geschat.

WUR-collega’s Timo Sprangers en Geert Kessel gingen dieper in op de principes van Integrated Crop Management. Deze aanpak is gericht op het compleet heroverdenken van de aanpak van ziekten en plagen, door onder meer slimme combinaties van robuuste rassen, het monitoren van ziekten en plagen en een gerichte inzet van groene en synthetische middelen. Het is een denkrichting die in Europa veel navolging krijgt. Onderzoek van WUR laat zien dat er technisch vaak wel mogelijkheden zijn, maar het plaatje moet ook economisch kloppen. “Bij een gewas als graan, lukt dat eerder dan bij aardappelen of uien”, geeft Sprangers aan. “Een paar procent opbrengstverlies tikt bij granen minder hard door, zeker als daar kostenbesparingen tegenover staan.” Zolang het geld kost, verandert er niet zomaar iets in de manier van werken, wil hij maar zeggen. En dat terwijl de milieuwinst overduidelijk is: als voorbeeld laat hij de uitkomsten van proeven in 2022 zien, waarin conventioneel 12 keer werd gespoten tegen Phytophthora, 9 keer wanneer er gebruik werd gemaakt van beslissingsondersteunende systemen en slechts 2 keer, wanneer ook resistente rassen werden gebruikt. Een aanzienlijke besparing. Volgens phytophthoraspecialist Kessel kan de aardappelsector het zich niet meer veroorloven om langer te wachten. “Er komt snel een einde aan het veelvuldig spuiten van gevoelige cultivars. Die aanpak is niet langer houdbaar. We lijken de crisis van vorig jaar al bijna weer te zijn vergeten, maar we zijn door het oog van de naald gegaan. Wat we nodig hebben, is een combinatie van verminderd gevoelige rassen en een gerichte inzet van gewasbeschermingsmiddelen om de resistentie te beschermen.”

De vraag is alleen; wie pakt de handschoen op? Curtis Frederick reflecteerde als agronoom bij Aviko op het concept van ICM. Hij deelt de zorgen van Kessel, en onderschrijft de noodzaak tot verandering, maar heeft ook te maken met de dagelijkse werkelijkheid waarin de internationale aardappelverwerker opereert. “Je kunt maatregelen in de teelt nog zo goed bedenken, als het in de fabriek niet werkt, dan gaat het niet door.” Alle schakels in de keten zullen hier volgens hem in mee moeten denken. “Je komt alleen verder door te kijken waar jouw kennis overlapt met die van anderen. Daar zijn we volop mee bezig. Binnen ons bedrijf, waar we op allerlei plekken informatie verzamelen en expertise van de R&D-afdeling koppelen aan vragen van telers. Zo zijn we in 2024 gestart met het Future Proof Farming Program, samen met 105 telers in Frankrijk en Nederland, die intern support krijgen. Maar we werken ook samen met andere bedrijven. De initiatieven rond Stolbur vind ik een prachtig voorbeeld. Op het gebied van deze ziekte creëren we als industrie open datasets. Verder is al genoemd CropXR, een uniek samenwerkingsverband, waarmee we als sector concreet werken aan onderzoek dat ertoe doet. En niet te vergeten, een ontmoetingsplek zoals PotatoEurope is natuurlijk ook belangrijk, om je netwerk verder uit te bouwen.” ●
Veranderingen in de aardappelteelt gaan ook over communicatie. Dat benadrukte Barbara Doyle Prestwich, hoofd van de afdeling Plantenwetenschappen van de Universiteit van Cork (IE) in haar presentatie.
“Als Ier kan ik natuurlijk niet heen om de famine, de grote hongersnood die duurde van 1845 tot 1849. Door misoogsten als gevolg van Phytophthora, verloren we toen 27 procent van onze bevolking. Zo groot kan de impact van gewasziekten zijn. Wetenschappers over de hele wereld zijn bezig met allerlei technische oplossingen, die we slim zullen moeten combineren. Daar werken we op onze universiteit volop aan mee. Maar vaak zijn we zo druk met technische innovaties, dat we bijna vergeten dat het ook gaat om communicatie en co-creatie. Mensen moeten het begrijpen. Daarom geef ik bijvoorbeeld ook lezingen over biotechnologie aan boeren en zijn we betrokken bij het organiseren van festivals, waarbij de we de jeugd betrekken bij voedselproductie.” En dat slaat aan. In Dublin komen jaarlijks in de maand juni bijvoorbeeld 120.000 mensen af op zo’n foodfestival; mensen die een grote belangstelling laten zien voor hun voedsel en die daar meer over willen weten. Nog steeds is de aardappel een gewild onderdeel van de maaltijd in Ierland; 97 procent van de mensen koopt regelmatig aardappelen. Aan de vierhonderd tot zeshonderd aardappeltelers in Ierland de schone taak om die zo goed mogelijk te blijven bedienen.
“Zolang onderzoek niet dicht op de markt zit, is het doel dat bedrijven in de aardappelsector nastreven hetzelfde en vaak niet competitief.” Dat is wat Robert Graveland in Lelystad de zaal meegaf. Behalve directeur Research bij HZPC is hij interim-voorzitter bij Holland Innovative Potato (HIP), een samenwerkingsverband van vooruitstrevende bedrijven in de aardappelsector, gericht op publiek-privaat onderzoek.
Hij deelde een aantal lessen die de aangesloten bedrijven hebben geleerd: “Het is niet altijd gemakkelijk om de neuzen dezelfde kant op te krijgen. De verschillende achtergronden geven weleens frictie. Maar uiteindelijk komen we er altijd uit en levert het ook resultaat op.” Bedrijven moéten volgens hem wel samenwerken, nu de overheid minder geld uittrekt voor onderzoek, regels aanscherpt (‘meer red tape’) en ook de inhoudelijke kennis steeds vaker ontbreekt.
In cofinanciering met de overheid wordt binnen het HIP onder andere onderzoek gedaan naar het screenen op resistenties binnen de (wilde-)aardappelcollectie van WUR. “Dat gaat onder meer om resistenties tegen bacteriën, nematoden en insecten, wetende dat chemische gewasbeschermingsopties er nu of in de toekomst niet meer zijn.” Inmiddels heeft HIP aansluiting gezocht bij CropXR Potato, waarbij het de kwekers vooral te doen is om een hoge opbrengst te kunnen paren aan een lange lijst gewenste eigenschappen. Dit tienjarige programma, GEM (Genetics, Environment and Management), loopt tot 2028. “Een stressbestendige aardappel, daar is het ons uiteindelijk allemaal om te doen.”
Evenementen
©2015 - 2025 Aardappelwereld | Ontwerp en realisatie COMMPRO